Vaccins kennelhoest

Tegen kennelhoest zijn verschillende vaccins in omloop, vaak gecombineerd met andere vaccins. De meeste fabrikanten adviseren een herhalingsfrequentie van 1 jaar. Er zijn 5 enkelvoudige vaccins, bestaande uit alleen het paraïnfluenza virus (Nobivac Pi) of het Bordetella virus (Versican Plus Bb IN), maar ook een combinatie van deze 2 ziekteverwekkers komt voor.

Het vaccin Eurican Pneumo bevat als adjuvans/hulpstof: Al*** (als hydroxide) en formaldehyde, stoffen die bekend staan om hun ernstige bijwerkingen.

Beschikbare vaccins:

Kennelhoest: zie tabel hieronder
Kennelhoest, Leptospirose
Hondenziekte, Leverziekte, Parvo, Kennelhoest
Hondenziekte, Leverziekte, Parvo, Kennelhoest, Leptospirose
Hondenziekte, Leverziekte, Parvo, Kennelhoest, Leptospirose, Rabiës

Eurican Pneumo Nobivac KC Nobivac Pi Versican Plus Bb IN Versican Plus Pi
(Merial) (Intervet) (Intervet) (Zoetis) (Zoetis)
8 weken en ouder Vanaf 3 weken oud 8 weken en ouder 8 weken en ouder 6 weken en ouder
Werkzame bestanddelen
Geïnactiveerd: Levend: Levend geattenueerd: Levend verzwakt: Levend geattendeerd:
Bordetella bronchiseptica Bordetella bronchiseptica bacteriën - Bordetella bronchiseptica, stam 92B -
Paraïnfluenza type 2 virus Canine Paraïnfluenza virus Canine Paraïnfluenzavirus, stam Cornell - Canine parainfluenza Type 2 virus, stam CPiV-2-Bio 15
Adjuvantia/hulpstoffen
Adjuvans: Al+++ ( als hydroxide) Hulpstoffen: Formaldehyde Gelatine-gebaseerde stabilisator, natriumchloride, fosfaatbuffer, water voor injectie Vaccin: Sorbitol (E420), gelatine (E441), pancreas caseïnehydrolysaat, dinatriumwaterstof fosfaatdihydraat (E339), water voor injectie Suspendeervloeistof: Dinatriumwatestof fosfaatdihydraat (E339), kaliumdiwaterstof fosfaat, water voor injectie Pepton, sucrose, dikaliumfosfaat kaliumdiwaterstoffosfaat, natriumhydroxide, gelatine, Eagle HEPES medium, waterstofchloride voor pH aanpassingen, natriumhydroxide voor pH aanpassingen. Water voor injecties Lyofilisaat: Trometamol, EDTA, sucrose, dextran 70 Oplosmiddel: Water voor injectie
Dosering
Jaarlijks na 2-voudige basisvaccinatie, met een interval van 2-3 weken. Jaarlijks na enkelvoudige toediening. Jaarlijks na 2-voudige basisvaccinatie met een interval van 2-4 weken (vanaf de leeftijd van 12 weken oud volstaat een enkelvoudige basisvaccinatie). Jaarlijks, na enkelvoudige toediening. Jaarlijks, na 2-voudige basisvaccinatie met een interval van 3-4 weken.
Ongevaccineerde honden ten minste 3 weken voor periode’s van verwacht verhoogd risico vaccineren (bv. opname in pension). “Immuniteitsduur: is niet aangetoond, maar er wordt een anamnestische respons opgewekt bij honden die één jaar na de basisvaccinatie gehervaccineerd Tenminste 5 dagen vóór de periode van verwachte risico’s, zoals het tijdelijk plaatsen in een kennel.
Toediening
Subcutaan Intranasaal Subcutaan Nasaal Subcutaan
Bijwerkingen
Aluminiumhydroxide kan op de injectieplaats een voorbijgaande lokale entreactie (± 3 cm) veroorzaken, die meestal binnen 2 weken verdwijnt. Een diffuse zwelling, tot 5 mm in diameter op de injectieplaats (zeer zeldzaam). Soms kan deze zwelling hard en pijnlijk zijn en gedurende maximaal 3 dagen na vaccinatie blijven bestaan. Voorbijgaande zwelling (tot 5 cm) op de injectieplaats die pijnlijk, warm of rood kan zijn (gedurende ± 14 dagen).
Tijdelijke verhoging van de lichaamstemperatuur en/of tijdelijke overgevoeligheidsreactie (anafylaxis) zoals lethargie, oedeem in de kop, pruritis, dyspneu, braken, diarree of neervallen vlak na vaccinatie (uitzonderlijk). Voorbijgaande lichte oog- en neusuitvloeiing vanaf de dag na vaccinatie, soms met hijgen, niezen en/of hoesten, met name in zeer jonge gevoelige pups. Klachten kunnen tot max. 4 weken aanhouden (soms). Bij dieren met ernstigere symptomen kan een behandeling met antibiotica geïndiceerd zijn. Hoesten van tijdelijke aard (1 of 2 dagen) na vaccinatie (zeldzaam). Tijdelijke neus- of ooguitvloeiing (zeldzaam). Gastro-intestinale klachten als diarree, braken of anorexie en verminderde activiteit (zeldzaam).
Lethargie en braken (zeer zeldzaam) Overgevoeligheidsreacties (zeer zeldzaam). Overgevoeligheidsreacties (zeer zeldzaam). Overgevoeligheidsreacties (i.e. anafylaxie, angio-oedeem, dyspneu, circulatoire shock, collaps) (een enkele keer).
Waarschuwingen
Kan gebruikt worden tijdens de dracht. De veiligheid van het diergeneesmiddel is niet bewezen tijdens de lactatie. Kan tijdens de dracht worden gebruikt. Het is aangetoond dat het diergeneesmiddel veilig gebruikt kan worden bij drachtige teven die voorafgaand aan de dracht gevaccineerd zijn met het Pi vaccin uit de Nobivac-serie. Gebruik wordt afgeraden tijdens dracht en lactactie in verband met de afwezigheid van onderbouwende studies en mogelijke verspreiding van de vaccinstam. De veiligheid van het diergeneesmiddel is niet bewezen tijdens de dracht en lactatie. Gebruik tijdens dracht en lactatie wordt afgeraden.
Niet aan zware fysieke inspanning blootstellen alvorens volledige immuniteit is verkregen (aanbevolen). De Bordetella bronchiseptica vaccinstam kan 6 weken lang uitgescheiden worden en de canine paraïnfluenza vaccinstam enkele dagen na vaccinatie. Immuundeficiënte personen dienen elk contact met het vaccin en gevaccineerde honden tot 6 weken na vaccinatie te vermijden. Gevaccineerde honden kunnen de vaccinstam van Bordetella bronchiseptica tot 7 weken na de vaccinatie uitscheiden. Gedurende deze periode wordt immuundeficiënte personen geadviseerd contact met gevaccineerde honden te vermijden. Soortgelijke voorzorgsmaatregelen zijn van toepassing op dieren die in contact zijn, maar niet gevaccineerd zijn, en dieren met een immuundepressie. Katten en niet gevaccineerde honden in contact met gevaccineerde honden kunnen reageren op de vaccinstam; dit uit zich in gematigde klinische symptomen zoals niezen, neus- en ooguitvloeiing. Speciale voorzorgsmaatregelen dienen te worden genomen om verspreiding van de vaccinstam in de kliniek te vermijden. Na vaccinatie kunnen gevaccineerde dieren de levend geattenueerde virus vaccin stam CPiV uitscheiden. Echter, vanwege de lage pathogeniciteit van deze stam, is het niet nodig gevaccineerde honden te scheiden van niet- gevaccineerde honden.
Maternale antistoffen kunnen het resultaat van de vaccinatie ongunstig beïnvloeden. De levende vaccincomponenten kunnen verspreiden naar andere dieren. Immunosuppressieve medicatie kan de ontwikkeling van actieve immuniteit schaden en kan het risico op bijwerkingen veroorzaakt door de levende vaccinstammen vergroten. Katten, varkens en ongevaccineerde honden kunnen reageren op de vaccinstam met milde en voorbijgaande respiratoire verschijnselen. Een beschermende antilichaamtiter wordt niet bij alle gevaccineerde honden bereikt. Omdat maternaal verkregen, passieve antilichamen bij zeer jonge dieren kunnen interfereren met de respons op de vaccinatie, wordt een laatste vaccinatie op de leeftijd van 10 weken of ouder aanbevolen. Vaccineer geen dieren welke een antibacteriële of immunosuppressieve behandeling ondergaan. Een goede immuunrespons is afhankelijk van een volledig adequaat immuunsysteem. Immunocompetentie van een dier kan negatief beïnvloed worden door verschillende factoren waaronder zwakke gezondheid, voedingstoestand, genetische factoren, gelijktijdige behandeling met medicijnen en stress.
Bij toedienen van AB binnen 1 week na vaccinatie moet deze herhaald worden na de AB-kuur. Als er sprake is van enig antibioticumgebruik binnen 2 weken na vaccinatie dan dient de vaccinatie herhaald te worden na afloop van de antibioticumbehandeling.
Klik hier voor volledige tekst registratie Eurican Pneumo Klik hier voor volledige tekst registratie Nobivac KC Klik hier voor volledige tekst registratie Nobivac Pi Klik hier voor volledige rtekst registratie Versican Plus Bb IN Klik hier voor volledige tekst registratie Versican Plus Pi