Combinatievaccins:

Kattenziekte, Niesziekte

Voor deze combinatie zijn momenteel 5 vaccins beschikbaar (zie tabel hieronder). Opvallend is dat bij Feligen CRP geen enkele hulpstof wordt vermeld en maar een enkele bijwerking. De opmaak van deze registratie wijkt ook af van die van de huidige registraties, het lijkt er op dat het hier om een oudere registratie gaat, maar desondanks worden er bij de diergeneesmiddelen informatiebank wel batchnummers genoemd die 31 maart en 30 juni 2018 als expiratie datum hebben.
Er 1 vaccin dat een 3-jaarlijkse herhaling voor zowel katten- als niesziekte aanbeveelt (Purevax RCP), de rest adviseert jaarlijkse herhaling voor alle onderdelen, behalve Nobivac Tricat Trio die voor kattenziekte een herhalingsfrequentie van 3 jaar en voor niesziekte 1 jaar aanhoudt.
Alle fabrikanten waarschuwen voor het feit dat maternale antistoffen het resultaat van de vaccinatie ongunstig kunnen beïnvloeden; met andere woorden: wanneer kittens nog antistoffen van hun moeder (via de moedermelk) bezitten heeft vaccineren geen zin. En dat geldt overigens niet alleen voor maternale antistoffen, ook bij aanwezigheid van antistoffen opgebouwd na vaccinatie of doormaken van de ziekte zal vaccineren geen zin hebben.

Beschikbare vaccins:

Niesziekte
Kattenziekte, Niesziekte: zie tabel hieronder
Kattenziekte, Niesziekte inclusief Chlamydia
Kattenziekte, Niesziekte, FeLV
Kattenziekte, Niesziekte inclusief Chlamydia, FeLV

Kattenziekte, Niesziekte vaccins:
Feligen CRP Felocell CVR Nobivac Tricat trio Purevax RCP Versifel CVR
(Virbac) (Elanco) (Intervet) (Merial) (Zoetis)
12 weken en ouder 8 weken en ouder 8-9 weken en ouder 8 weken en ouder 8 weken en ouder
Werkzame bestanddelen
Levend geattenueerd: Levend geattenueerd: Levend geattenueerd: Geïnactiveerd: Levend geattenueerd:
Feline Calicivirus, stam F9 Feline Calicivirus, stam F9 Feline Calicivirus, stam F9 Feline Calicivirus antigenen (stammen FCV 431 en G1) Feline Calicivirus, stam F9
Levend verzwakt:
Feline herpesvirus type 1, stam F2 Feline infectieuze Rhinotracheïtisvirus, stam FVRm Feline herpesvirus, stam G2620A Feline Rhinotracheïtis herpesvirus, stam FHV F2 Feline infectieuze Rhinotracheïtisvirus, stam FVRm
Kattenziektevirus, stam LR 72 Feline Panleukopenievirus, sneeuwluipaardstam Feline panleukopenie virus, stam MW-1 Feline Panleucopenie virus (PLI IV) Feline Panleukopenievirus Sneeuwluipaardstam
Adjuvantia/hulpstoffen
Worden niet vermeld in de registratie L2 stabilisator (dextran 40, caseïne hydrolysaat, lactose, sorbitol, natrium hydroxide), Modified Eagle’s medium (MEM), water voor injectie Lyofilisaat: Dinatriumfosfaat dihydraat, gehydrolyseerde gelatine, pancreas caseïnehydrolysaat, sorbitol
Solvens: Dinatriumfosfaat dihydraat, kaliumdiwaterstoffosfaat, water voor injectie.
Gentamicine, sucrose, sorbitol, dextran 40, caseïne hydrolysaat, collageen hydrolysaat, dikaliumfosfaat, kaliumdiwaterstoffosfaat, kaliumhydroxide, natriumchloride, dinatriumwaterstofortho-fosfaat, monokaliumfosfaat anhydraat, water voor injectie Lyofilisaat: L2 stabilisator (dextran 40, caseïne hydrolysaat, lactose, sorbitol, natrium hydroxide), Modified Eagle’s medium (MEM)
Suspendeervloeistof: Water voor injectie
Dosering
Jaarlijks na 2-voudige basisvaccinatie met een interval van 3-4 weken Jaarlijks na 2-voudige basisvaccinatie met een interval van 3-4 weken Jaarlijks na 2-voudige basisvaccinatie met een interval van 3-4 weken voor FCV en FHV;
3-jaarlijks voor FPLV
3-Jaarlijks na 1-voudige hervaccinatie 1 jaar na 2-voudige basisvaccinatie met een interval van 3-4 weken Jaarlijks na 2-voudige basisvaccinatie met een interval van 3-4 weken
Maternale antistoffen kunnen het resultaat van de vaccinatie ongunstig beïnvloeden. Maternale antistoffen kunnen het resultaat van de vaccinatie ongunstig beïnvloeden. Maternale antistoffen, die tot een leeftijd van 9-12 weken aanwezig kunnen zijn, kunnen het resultaat van de vaccinatie ongunstig beïnvloeden. Het is mogelijk dat vaccinatie in de aanwezigheid van maternale antistoffen de klinische verschijnselen, leukopenie en virusuitscheiding als gevolg van een FPLV infectie, niet volledig kan voorkomen. In gevallen waarin een hoog niveau maternale antistoffen wordt verwacht, dient het vaccinatieschema overeenkomstig te worden aangepast. Wanneer hoge titers van maternale antistoffen tegen de rhinotracheïtis, calicivirus of panleucopenie componenten verwacht kunnen worden (bijvoorbeeld bij kittens met een leeftijd van 9-12 weken waarvan de moeders zijn gevaccineerd vóór de dracht en/of die zeker of vermoedelijk eerder zijn blootgesteld aan één of meer van de pathogenen) moet het schema voor de basisvaccinatie uitgesteld worden tot de leeftijd van 12 weken. Maternale antistoffen kunnen het resultaat van de vaccinatie ongunstig beïnvloeden.
Toediening
Subcutaan Subcutaan Subcutaan Subcutaan Subcutaan
Bijwerkingen
Voorbijgaande (lokale) entreactie. Lichte, pijnlijke zwelling op de injectieplaats. Voorbijgaande lokale entreactie (lichte pijn bij palpatie, jeuk of beperkt oedeem).
Voorbijgaande verhoging van de rectale temperatuur, voorbijgaande kreupelheid en voorbijgaande sloomheid (zeldzaam). Voorbijgaande lichte, verhoging van de lichaamstemperatuur tot 40 °C gedurende 1-2 dagen. Voorbijgaande verhoging van de lichaamstemperatuur Voorbijgaande verhoging van de rectale temperatuur, voorbijgaande kreupelheid en voorbijgaande lethargie (zeldzaam).
Zachte niet pijnlijke zwellingen (≤1 cm gemiddeld) op de injectieplaats gedurende de eerste 24 uur na vaccinatie. Deze kunnen overgaan in niet pijnlijke harde knobbeltjes die tot 21 dagen na toediening kunnen blijven bestaan (zeldzaam). Niezen, hoesten, neusuitvloeiing en lichte sloomheid of anorexia tot 2 dagen na vaccinatie (soms). Voorbijgaande apathie, anorexia alsook hyperthermie (incidenteel). Zachte pijnloze zwellingen (≤ 1 cm gemiddeld) die tot 21 dagen na vaccinatie zichtbaar zijn als pijnloze harde zwellingen (zeldzaam).
Anafylactische reactie (zeer zeldzaam). Overgevoeligheidsreacties zoals: jeuk, benauwdheid, braken, diarree en collaps (zeer zeldzaam). Overgevoeligheidsreactie (uitzonderlijk). Anafylactische reactie (zeer zeldzaam).
Waarschuwingen
Niet gebruiken tijdens dracht en lactatie. Niet gebruiken tijdens de dracht. Niet gebruiken tijdens dracht en lactatie. Levend FPL virus kan leiden tot reproductie-problemen bij drachtige poezen en aangeboren afwijkingen bij het nageslacht. Niet gebruiken bij drachtige dieren. Gebruik wordt afgeraden tijdens lactatie. Niet gebruiken tijdens de dracht.
Aanbevolen wordt de dieren tenminste 10 dagen voor vaccinatie tegen maagdarmwormen te behandelen.

Stel het dier niet bloot aan infectie gedurende 21 dagen na de vaccinatie.
In geval van zelfinjectie dient onmiddellijk een arts te worden geraadpleegd en hem de bijsluiter of het etiket te worden getoond.
Klik hier voor volledige tekst registratie Feligen CRP Klik hier voor volledige tekst registratie Felocell CVR Klik hier voor volledige tekst registratie Nobivac Tricat trio Klik hier voor volledige tekst registratie Purevax RCP Klik hier voor volledige tekst registratie Versifel CVR